BEKNOPTE WEERGAVE VAN EEN PRESENTATIE OVER DE VERFPLANT
Dit is een sterk ingekorte weergave van de presentatie over de verfplant wede die op 4-7-2026 werd gegeven in het Cuypershuis in Roermond. Niet alle dia's die op die middag werden getoond konden op de site worden overgenomen, en het is ook niet mogelijk om op deze plaats dezelfde uitgebreide toelichting bij elke dia te geven. Ook zijn hier alleen dia's opgenomen over de wedeteelt in het algemeen, terwijl de lezing ook ging over de betekenis van de middeleeuwse wolindustrie en de betekenis van de kleur blauw.
Ter introductie
Ongeveer tien jaar geleden kregen we voor het eerst met wede te maken in het kader van een samenwerking met de Eindhovense designstudio Raw Color. Die samenwerking resulteerde in een serie fijne, plantaardig geverfde stoffen van biologische wol. Voor de kleuren werden alleen de traditionele en in Europa inheemse verfplanten gebruikt: wouw (Reseda Luteola L.) voor de geeltinten, meekrap (Rubia Tinctorum L.) voor de roodtinten en wede (Isatis tinctoria L.) voor het blauw. Wede is de enige in Europa inheemse plant die de blauwe kleurstof indigo bevat.
De serie plantaardig geverfde stoffen werd Tinctoria Textiles genoemd en trok ook internationaal de aandacht. Zo kregen we de opdracht voor het maken van gordijnen voor een hippe cocktailbar in Londen, in het toen nieuwe stadsdeel Peninsula, vlakbij de O2 dome.
Tot dan hadden we alleen kleinere producties laten maken met wede-indigo, nu moesten er plots forse aantallen meters worden geverfd. Niet zo gemakkelijk, want wede-indigo is geen kleurstof die je overal kan kopen, het verven ermee vraagt eveneens om specifieke kennis en daarnaast werd en wordt de plant maar op weinig plaatsen geteeld. We hadden echter al contact met een verfster in Zuid-Frankrijk die niet alleen de opdracht goed afhandelde maar ons ook een introductie gaf in de geschiedenis van de wede. Terug in Nederland ontdekten we dat wede in de loop van de geschiedenis slechts in enkele delen van Europa intensief werd geteeld en dat we zelf dichtbij één van die streken wonen en werken, een gebied dat vroeger behoorde tot het hertogdom Gulik.
1
Isatis Tinctoria komt voor in heel Europa maar is oorspronkelijk waarschijnlijk afkomstig uit Centraal-Azië. Wede is een tweejarige plant en op de foto zien we hem in het eerste jaar. De plant vormt dan een rozet met grote langwerpige bladeren. In dat eerste jaar wordt tevens de blauwe kleurstof indigo gevormd. Dat gebeurt in het blad en het is dan ook het blad dat wordt geoogst. Dit gebeurde door de plant af te snijden met een mes of met een speciaal gereedschap dat enigszins lijkt op een troffel. Na het oogsten groeit het blad weer snel aan, zodat meerdere oogsten per jaar mogelijk zijn. In onze klimaatzone zijn dat er doorgaans drie tot vier. In mediterrane streken soms vijf of zes.
2
In het tweede jaar vormt zich uit de kern van de plant eeen stengel die zich vertakt. In het vroege voorjaar (meestal april) bloeit de plant. Aan de uiteinden van de takjes ontstaat dan een gele bloesem in kleine trosjes. Ook de zaadvorming begint dan. Nadat de plant is uitgebloeid, rijpt het zaad verder en wordt verspreid door de wind.
3
Wede werd meestal in februari gezaaid, vaak in rijen om het noodzakelijke schoffelen of verwijderen van onkruid gemakkelijker te maken. Onkruid was de vijand van de wedeteler omdat het de bedoeling was om de kleurstof (die dus in het blad zat) zo zuiver en schoon mogelijk te houden. Vreemde gewassen mochten daarom niet tussen de wede terechtkomen en uiteraard werd ook zand en stof op het blad niet op prijs gesteld. Om die reden werd wede na de oogst vaak gewassen in een beek, gedroogd en vervolgens naar de wedemolen gebracht. Op de foto zien we de wedemolen in het Duitse dorp Pferdingsleben (Thuringen). Dit was een typische wedemolen: een door een paard voortbewogen 'rosmolen' met een grote verticaal lopende en getande steen. De wede werd er met een hark onder geveegd waarna het blad tot moes werd verpulpt.
Waarom een rosmolen? In de oude 'recepten' voor de verwerking van wede kan je lezen dat de wede altijd werd geoogst op een zonnige dag en dat de bladeren vervolgens vrij snel naar de molen moesten worden gebracht, voordat deze verwelkten. Ook watermolens werden gebruikt voor de verwerking maar dit kon in droge streken (bijvoorbeeld in Zuid-Frankrijk of Italië) tot problemen leiden als riviertjes 's zomers droog kwamen te staan. De rosmolen was eigenlijk altijd inzetbaar.
De wedemolen van Pferdingsleben was de laatste die in Duitsland nog actief was (nog tot in de jaren 20) en bevindt zich nog steeds op dezelfde plaats.
4
Onder de molen werd de wede tot moes verpulpt waarna er balletjes van werden gemaakt, meestal met het formaat van een tennisbal. De wedeballen werden vervolgens aan de lucht gedroogd, op grote en speciaal voor dat doel gebouwde rekken: altijd met een afdakje ter bescherming tegen de regen, maar toch open om de wind er goed doorheen te laten gaan. Het drogen was belangrijk omdat het de wede geschikt maakte om langer te bewaren en ook voor transport over grote afstand.
Met het drogen van de wede eindigde de betrokkenheid van de boeren, die het stokje nu overdroegen aan de kooplieden. De handelaren kochten de wedeballen ofwel ter plaatse (bij de boeren) of op een markt. Van sommige markten weten we dat die speciaal waren ingericht voor de wedehandel. Dat was bijvoorbeeld het geval in Erfurt (op de zogenaamde Anger, de centrale markt) en in Keulen waar nu nog steeds een straatnaam bestaat met de naam 'Waidmarkt'.
De gedroogde wedeballen waren echter niet meer dan een halffabrikaat waar een verver niet direct iets mee kon. Daarvoor moest er nog een tweede verwerkingsronde volgen die nooit door de boeren maar meestal door de wede-koopmannen en hun daarin gespecialiseerde werknemers werd uitgevoerd. Mogelijk waren ook sommige blauwververs bekend met dit werk. De wedeballen werden daarbij kapotgeslagen, de massa werd over een vloer verspreid en overgoten met water waardoor een gistingsproces op gang werd gebracht dat gepaard ging met hitte (men zou er geen hand in hebben kunnen steken) en stank. Om deze redenen (brandgevaar en stank) vond de verwerking vaak buiten de stad plaats, in speciale werkplaatsen. Gedurende enkele weken moest de gistende wedemassa dagelijks worden omgekeerd tot het garingsproces was voltooid. Men kan zich voorstellen dat dit gespecialiseerd werk was: om een optimaal resultaat te boeken mocht de gisting niet te kort duren maar ook niet te lang. Uit de zestiende eeuw zijn verhalen bekend van Zuid-Franse wedehandelaren die fortuinen verloren omdat dit proces niet goed werd uitgevoerd.
5
Wede is een plant die serieuze eisen stelt aan de grond waarop hij wordt geteeld en die de grond snel kan uitputten. Daarom werd hij vaak geteeld op zeer goede grond, zoals (in het geval van het hertogdom Gulik of in Thuringen) op lossgronden. Vaak moest er worden bijgemest en mest was zeer kostbaar. Pas in de late middeleeuwen ontstonden (kleine) plantages van verfplanten. De aanleiding was dat vanaf ongeveer 1100 de wolnijverheid een explosieve groei doormaakte en de vraag naar hulpstoffen (zoals verfstoffen of beitsmiddelen) daardoor eveneens steeg.
Op de kaart worden de belangrijkste teeltgebieden door de eeuwen heen aangegeven. Ze ontstonden echter niet allemaal tegelijk maar volgden min of meer de ontwikkeling van de wolnijverheid. Die wolnijverheid (de productie van wollen 'laken' stoffen) ging serieus van start in het zuiden van West-Vlaanderen en in Noordwest-Frankrijk. Deze gebieden werden van wede voorzien door handelaren uit Amiens en andere steden in Picardië. Op de kaart is dat het gebied onder Brussel.
De belangrijkste streek voor de wedeteelt was die rond Toulouse, hoewel die pas vrij laat tot ontwikkeling kwam. De wede wordt hier 'pastel' genoemd en de wedeballen waarin werd gehandeld 'cocques'. Men houdt daar vol dat het idee van een 'Cocagne' waarmee een land van overvloed wordt bedoeld, waar nooit een tekort was aan eten, uit die streek afkomstig was. De wede zou er met andere woorden hebben geleid tot een enorme welvaart. Uit modern onderzoek blijkt het wel mee te vallen met die welvaart: in werkelijkheid waren de wedehandelaren ('pasteliers') soms inderdaad schatrijk maar was dat ook omdat ze precies wisten hoe ze de boeren financieel konden uitknijpen.